Steeds meer mensen slapen met een slim horloge om de pols. Ze willen weten hoeveel uur diepe slaap ze kregen, hoe hun hartslag varieerde en of hun ‘herstelwaarde’ hoog genoeg is om te trainen. Het aanbod aan wearables groeit snel, de beloftes klinken indrukwekkend, en toch is er een vraag die zelden hardop wordt gesteld: kloppen die metingen eigenlijk wel? Het antwoord is genuanceerder dan de marketingpagina’s je doen geloven.
Wat wearables meten en wat ze beweren te meten
Een slimme smartwatch meet je polsslagader via fotoplethysmografie, kortweg PPG. Dat betekent dat een klein lampje in je huid schijnt en de teruggekaatste lichthoeveelheid registreert, afhankelijk van hoeveel bloed er op dat moment door je ader stroomt. Uit die golfvorm berekent het apparaat je hartslag en hartritme-variabiliteit. Tot zover is de techniek redelijk solide, al is de nauwkeurigheid afhankelijk van hoe strak het bandje zit, hoe je huid gepigmenteerd is en of je beweegt tijdens de meting.
Het probleem begint wanneer het apparaat die ruwe data omzet in slaapstadia. Echte slaapanalyse — de gouden standaard — vereist een polysomnografie: elektroden op je hoofd, ogen en spieren, uitgevoerd in een slaapkliniek. Wearables schatten slaapstadia op basis van beweging en hartslag, maar dat is een benadering, geen meting. Een reviewstudie uit 2019, gepubliceerd in Sleep Medicine Reviews, analyseerde veertien onderzoeken naar consumentenwearables en concludeerde dat de apparaten gemiddeld goed zijn in het onderscheiden van slaap versus wakker zijn, maar aanzienlijk minder nauwkeurig als het gaat om het identificeren van specifieke slaapstadia zoals REM of diepe slaap. De steekproeven in die studies waren klein, vaak twintig tot vijftig deelnemers, en de populaties waren niet representatief. Dat zijn beperkingen die je moet meenemen.
Herstelscore, HRV en de vraag wat je ermee doet
Veel wearables berekenen dagelijks een ‘herstelscore’ of ‘readiness score’. Die is grotendeels gebaseerd op hartritme-variabiliteit, ofwel HRV. HRV is de variatie in de tijd tussen opeenvolgende hartslagen. Een hogere variabiliteit wordt in de literatuur geassocieerd met een beter functionerend autonoom zenuwstelsel, en er is inderdaad onderzoek dat laat zien dat HRV daalt na intensieve training of slaaptekort. Dat klinkt veelbelovend.
Maar er zijn serieuze kanttekeningen. HRV is extreem individueel en varieert niet alleen door training, maar ook door stress, alcohol, ziekte, cafeïne en zelfs de temperatuur in je slaapkamer. Een meta-analyse uit 2021 in het Journal of Sports Sciences, gebaseerd op 56 studies, concludeerde dat HRV-gestuurde trainingsplanning vergelijkbare resultaten geeft als vaste trainingsschema’s, maar dat de voordelen bescheiden zijn en de methodologische kwaliteit van de studies wisselend. Bovendien meten de meeste wearables HRV ‘s nachts in korte vensters, terwijl klinisch onderzoek doorgaans gebruikmaakt van langere registraties onder gestandaardiseerde omstandigheden. Die vergelijking gaat dus niet één op één op.
Er is ook een psychologisch effect dat de moeite waard is om te benoemen. Wanneer je elke ochtend een getal te zien krijgt dat zegt hoe goed je hersteld bent, ga je je gedrag aanpassen aan dat getal — ook als het getal niet klopt. Onderzoekers noemen dit ‘orthosomnia’: de obsessie met perfecte slaapdata die zelf slaapproblemen kan veroorzaken. Een kleine kwalitatieve studie uit 2017 in het tijdschrift Journal of Clinical Sleep Medicine beschreef patiënten die naar de slaapkliniek kwamen met klachten die niet werden bevestigd door klinisch onderzoek, maar die wél overeenkwamen met wat hun wearable had gerapporteerd. De steekproef was klein en de studie observationeel, maar het fenomeen is herkenbaar voor iedereen die ooit wakker lag omdat zijn horloge had gezegd dat hij slecht had geslapen.
Hoe groot is het probleem en wat kun je redelijkerwijs verwachten
Dit alles betekent niet dat wearables waardeloos zijn. Ze kunnen patronen over langere tijd zichtbaar maken, zoals een structureel hogere rusthartslag in een drukke periode, en dat heeft waarde. Maar het probleem is de precisie waarmee de data worden gepresenteerd. Een scherm dat je vertelt dat je precies 1 uur en 23 minuten in diepe slaap hebt doorgebracht, suggereert een nauwkeurigheid die de onderliggende techniek simpelweg niet kan leveren.
Maatschappelijk is er ook aandacht voor dit thema. Berichten op platforms zoals NOS signaleren regelmatig hoe consumenten technologie omarmen die nog niet volledig wetenschappelijk gevalideerd is, en hoe dat spanning oplevert tussen wat mensen verwachten en wat apparaten daadwerkelijk kunnen. Die spanning is reëel.
Als bewegingswetenschapper zou ik zeggen: gebruik een wearable als een ruwe schatter, niet als een diagnostisch instrument. Bekijk trends over weken, niet over één nacht. En als je je chronisch slecht voelt, moe bent of vermoedt dat je slaapproblemen hebt, is een gesprek met een arts of slaapspecialist zinvoller dan het verfijnen van je slaapscore-algoritme. Een horloge stelt geen diagnoses, en dat zou het ook niet moeten doen.
Tot slot
De wearablemarkt groeit, de beloftes worden groter en de data-dashboards worden mooier. Maar de wetenschap achter de metingen loopt achter op de marketingclaims. Dat is geen reden om je horloge weg te gooien, maar wel een reden om de getallen met enige scepsis te bekijken. Slaap is complex, herstel is individueel en geen algoritme vervangt hoe je je werkelijk voelt. De beste slaaptracker is nog altijd je eigen oordeel — aangevuld, niet vervangen, door technologie.
Leave a Reply